Nieuwe bewijsregels tussen en tegen ondernemingen

Sep 27, 2022 | Incassobeheer

De wetgever is bezig aan een modernisering van het recht aan de hand van een nieuwe codificatie van bijvoorbeeld het burgerlijk recht, met oa. nieuwe bewijsregels tussen en tegen ondernemingen. Het Oude Burgerlijk Wetboek (OBW) dateert nog van de tijd van Napoleon, zodat het tijd werd voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek.

Het is daarbij niet de bedoeling om alle wettelijke bepalingen te wijzigen, maar oude wijn in nieuwe zakken is de codificatie ook weer niet. In elk deel worden wel enkele wijzigingen aangebracht, die vaak de bestaande regels aanvullen met interpretaties die al door de rechtspraak waren uitgewerkt. Zo ook inzake het bewijsrecht. Deel 3 van Boek 8 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) behandelt het bewijs tussen en tegen ondernemingen.

 

Vrijheid van bewijsmiddelen

Artikel 8.11, § 1, eerste lid NBW formuleert het principe van de vrijheid van bewijsmiddelen in ondernemingszaken, zoals ook al was bepaald in artikel 1348bis, § 1 van het OBW. Daar waar in zaken tegen particulieren soms een schriftelijk bewijs wordt voorgeschreven, geldt deze regel niet in zaken tussen ondernemingen of zaken waarin een bewijs tegen een onderneming moet geleverd worden.

 

Nieuwe bewijsregel: boekhouding wordt wettelijke bewijswaarde

Op grond van artikel 8.11, § 2, eerste lid NBW zal de boekhouding van een onderneming voortaan niet langer vrije bewijswaarde, maar wel wettelijke bewijswaarde hebben. Dit betekent dat de boekhouding van een onderneming door de rechter en door de partijen als bewijsmiddel zal moeten worden aanvaard.

Voorwaarde is dan wel dat boekhouding als bewijs wordt ingeroepen door de onderneming die ze heeft opgesteld tegen een andere onderneming en dat de vermeldingen in de boekhoudingen van die twee ondernemingen overeenstemmend zijn. In alle andere gevallen oordeelt de rechter vrij over de bewijswaarde van de boekhouding.

Dit principe werd al langer door de rechtspraak gehanteerd maar werd bij de codificatie dus wettelijk vastgelegd. Daarnaast mag een boekhouding ook als bewijsmiddel worden ingeroepen tegen de onderneming die ze heeft opgesteld. De parlementaire voorbereiding geeft aan dat de boekhouding in dat geval door de rechter als een (buitengerechtelijke) bekentenis kan worden beschouwd, wat ook onder het huidige recht het geval is.). Bovendien kan de rechter, op verzoek of ambtshalve, in de loop van een geding de openlegging bevelen van het geheel of van een gedeelte van de boekhouding van een onderneming betreffende het te onderzoeken geschil.

 

Niet betwiste factuur wordt ook gezien als bewijs

Wat de factuur betreft, wordt de regeling van artikel 1348bis, § 4 OBW wat aangepast. Artikel 8.11, § 4, eerste lid NBW bepaalt voortaan dat niet alleen een door een onderneming aanvaarde factuur, maar ook een door een onderneming niet binnen een redelijke termijn betwiste factuur bewijs oplevert tegen die onderneming. Nu is een niet binnen een redelijke termijn betwiste factuur in vele gevallen ook te beschouwen als een aanvaarde factuur. De rechtspraak oordeelde al vaak dat wanneer een handelaar een factuur niet tijdig protesteert, dit als vermoeden van aanvaarding van die factuur geldt.

 

Hebt u vragen betreffende deze nieuwe bewijswregels of wenst u advies voor een concreete situatie? Aarzel dan niet om contact met ons op te nemen, telefonisch +32 (0) 50 64 19 00 of via mail

Share This